De plek van…Bernard Waanders, Erve Knippert

0

Bernard Waanders (85) neemt ons mee naar zijn geboortehuis aan de Hulstweg, de huidige zorgboerderij Erve Knippert. Herfst 1944. Alles wat Duits is en nog enigszins kan vechten, is naar het front gestuurd. Arbeidskrachten uit bezet gebied worden in Duitsland te werk gesteld. Zij moeten de oorlogsindustrie draaiende houden en tankvallen graven. Door middel van razzia’s worden jonge mannen opgepakt en afgevoerd naar Duitsland. Ook jongelui uit Sint Isidorushoeve en de buurschap Stepelo moeten er in de nacht van 7 op 8 november 1944 aan geloven.

Het is een vergeldingsactie voor de deels mislukte razzia van 28 oktober 1944. In plaats van zich netjes te melden verbergen jongemannen uit Stepelo zich in de bossen van Twickel en van Van Heek, tot woede van de Duitsers. In de nacht van 7 op 8 november heeft de bezetter meer succes. De soldaten vertrekken vermoedelijk vanaf het punt Beckummerweg/Hengelosestraat richting Stepelo en De Hoeve. In de nabij gelegen barakken zijn Duitsers gelegerd die café De Nachtegaal als stamkroeg gebruiken. Zij lijken goed geïnformeerd over de adressen waar ze moeten zijn. Families worden van hun bed gelicht en huizen doorzocht. Zo ook op Erve Knippert, waar Bernard, zijn broer Gerard en drie onderduikers tot de ‘doelgroep’ behoren. Een groepje soldaten bonkt luid schreeuwend op deuren en ramen. Eén persoon houdt zich wat afzijdig, wil kennelijk niet gezien worden. Een bekende die samenspant met de vijand?

Vijf

“Fünf Männer müssen wir haben!” Dat lukt niet helemaal. Eén van de onderduikers – een Poolse jongen – is die nacht niet thuis. Een andere weet zich onvindbaar onder het hooi te verstoppen. Jozefien, een jong logeetje uit Hengelo, is nogal overstuur. Anne, Bernards zus, spoort het meisje aan flink te huilen om haar vervolgens uitvoerig te troosten. “Ze hoopte daarmee de soldaten week te maken”, legt Bernard Waanders uit. Deze zijn niet te vermurwen en voeren de drie jongens mee de nachtelijke herfststorm in, tezamen met anderen uit de buurschap. “Als criminelen werden we afgevoerd. Dat maakte ons ontzettend kwaad. We hadden toch al zo’n hekel aan de bezetters. En dan hadden ze ook nog Nederlandse handlangers.” Via de Hengelosestraat gaan ze te voet naar Haaksbergen. Ter hoogte van het Raabos – er is dan nog geen fietspad – lopen ze dicht langs de kant. Om op een gunstig moment de bosrand in te kunnen duiken en er vandoor te gaan. “De soldaten begonnen enorm te tieren dat we midden op de weg moesten blijven. Ontsnappen zat er niet in.”

Meisjesschool

De tocht eindigt in het gymzaaltje van de Haaksbergse r.k. meisjesschool (nu appartementencomplex Het Sterrenbos). Er volgt een selectie van wie naar Duitsland moet en wie weer naar huis mag. Een dorpsgenoot – ‘vriendje’ van de Duitsers – regelt de boel. “Hij had alle stamkaarten en persoonsbewijzen bij zich. Dat zette enorm kwaad bloed. Toen had ik meteen in de kop: ‘Potverdorie, als ik kan vluchten dan ga ik.’” Een gedachte die hij met niemand deelt, zelfs niet met zijn huisgenoten broer Gerard en onderduiker Jan Brinks. Zus Anne brengt eten en drinken voor het drietal. Als de ochtend aanbreekt loopt de groep van zo’n vijfendertig mannen richting Enschede. “De eerste pauze was in De Rutbeek, op een boerderij. Daar waren geen ontsnappingsmogelijkheden. De volgende stop was in Enschede aan de Haaksbergerstraat, ongeveer tegenover het kerkje Philadelphia. We moesten een breed pad op, tussen een café en een woning. Daar zag ik de eerste er vandoor gaan.”

Op de vlucht

Bernard Waanders raakt in gesprek met twee kasteleinsvrouwen. “Hier achteruit kun je weg komen. Dan houden wij die moffen wel aan de praat”, stelt het praatgrage duo voor. Hij gaat wat achteraf staan, doet of hij moet plassen, terwijl hij ondertussen de situatie ter plekke opneemt. Waanders besluit het er op te wagen en piept er tussen uit. “Onderweg kwam ik een ventje tegen. ‘Kom maar mee, ik ken hier de weg’ zei hij tegen me. Hij bracht me naar een poelierszaakje in de erachter gelegen burgemeester Jacobsstraat. Die poelier merkte onmiddellijk dat ik wat overstuur was en bracht me naar een schuilplaats.”

Woedend

De groep trekt verder naar Gronau. Daar ontdekken de Duitsers pas dat er drie jongens ontbreken. Woedend zijn ze en dreigen met doodschieten. Eén van de jonge kerels die redelijk Duits spreekt weet de boel te redden. Met een ‘Heil Hitler’ en een mooi verhaal erom heen. “Het waren gelukkig geen SS’ers. Dan was het wel anders afgelopen. De meeste Duitsers geloofden er toen niet meer zo in. In het begin van de oorlog waren ze veel fanatieker.

Onderduiken

De poelier brengt hem ’s avonds met zijn bakfiets naar huis, in ruil voor onderdak voor zijn herdershond, waarvoor hij geen eten meer heeft. Bernard Waanders duikt onder bij boer Brouwer – schuin tegenover zijn ouderlijk huis aan de Hulstweg – waar hij daarvoor al werkt als boerenknecht. De ondergrondse bezorgt hem een bewijs dat hij zijn stamkaart is ‘verloren’. Een ‘echt’ papiertje voorzien van officiële stempels. Met kerst waagt Waanders zich voor het eerst in de Beckumse kerk. “De nachtmis… ‘s morgens om half acht. Anne en Jozefien liepen voorop om te kijken of de kust veilig was. Ik volgde op een afstandje. Om café De Nachtegaal te omzeilen gingen we door het bos via het Altena’s voetpad. Ik hield me afzijdig achterin de kerk en bekeek meteen waar ik eventueel weg kon komen. Je voelde je als opgejaagd wild.”

Bedankje

“Na de jaarwisseling voelde ik me steeds vrijer. ‘’t Mot d’r mear op of’, dacht ik, vertrouwend op mijn papiertje.” In kleine groepjes keren de jongens uit Stepelo en De Hoeve terug uit Duitsland, de laatsten op 16 maart 1945. Ook broer Gerard en Jan Brinks. Nu hij ouder wordt staat het Bernard Waanders tegen dat hij de hulpvaardige Enschedese poelier nooit heeft kunnen bedanken. “Jaren later ben ik nog eens terug geweest. Maar niemand in die buurt wist van zijn bestaan.”

Plaats uw commentaar